Geluiden

De wind, geluidloos zonder object, zoekt iets om mee te spelen en vindt de populieren op zijn pad, deelt plaagstootjes uit, toont zijn kracht. Ze nemen de uitdaging aan, deze ambitieuze hoogvliegers, lijken te vragen om dit spel van kracht en veerkracht. Met speels gemak overstemmen ze de andere bomen, een enkele oprisping van de A12 een steenworp achter me. Iedere populier lijkt een eigen stem te hebben, tot me te spreken. Soms hoor ik een celesta, ongelofelijke reeksen boventonen, harpen, arpeggio’s, flarden van Debussy’s Danse sacrée et danse profane. Priesters in de oudheid luisterden naar dit geruis voor ze gingen orakelen en raakten in een trance, de trance die ook ik zoek en me doet vergeten, me laat oplossen in een ander geluid. (uit: De vorm van geluid)

“Je kent het begin van de Kreisleriana. Je weet niet wat je overkomt. Je verzuipt, net als de melodie. Wat is het? Het is de bel die gaat, je doet open en daar valt je beste vriend letterlijk met de deur in huis. Hij klampt zich aan je vast, helemaal over de rooie. Hij kan niet eens zeggen wat er aan de hand is, äußerst bewegt als hij is. Sta je daar. Wat doe je? Je pakt hem bij de schouders en maant hem tot kalmte: sehr innig und nicht zu rasch. Eerst een kop thee en dan gaan we rustig zitten, dan ga je ’t me vertellen. Je zet het water vast op. Zoiets. Jij zou die vriend kunnen zijn als je niet zo vreselijk gelijkmatig was.” (uit: De vorm van geluid)

Ik vertelde dat ik nog weleens naar de oefenkooi ging, waar ik ooit zo egoïstisch gelukkig was, en daar in een soort trance probeerde te komen van slag-muur-stuit, túm-ta-dum, hopend dat het geluid me uit de ketens van een ander geluid zou bevrijden. Als ik daar stond en sloeg, dacht ik aan de tennissers in de San Quentingevangenis over wie ik op YouTube een documentaire had gezien. De meesten wisten dat ze de gevangenis nooit zouden verlaten, maar, al was het maar voor een paar uur, op de baan waren ze vrij. ‘This little tennis court, it’s in prison. But when I’m playing tennis, I’m not in prison,’ zei de oude man met de wijsheid van de heilige. Als tennis hen kon helpen, dan mij toch zeker ook? (uit: De vorm van geluid)

Maar luid is lekker en wat lekker is maakt vaak kapot. De genese van mijn luid, want ik had geen idee wat luid was tot Ellingtons Take The A Train verstomde, het gordijn openging en ze daar onder een orgastisch gehuil onwaarschijnlijk echt en bewegend uit mijn plakboeken naar voren stapten, de grote roerganger, de primadonna par excellence springend en dansend en rennend en met meteen het hele stadion onder zijn duim en het er meteen maar bij zingend, je wist gewoon niet waar je moest kijken, de vijf op magische wijze leven ingeblazen, elkaar blikken van verstandhouding toewerpend alsof die incarnatie hun zelf ook weer verbaasde, dat onvoorstelbaar echt worden, en het wonder was tweeledig, want ook het luid, thuis nooit genoeg en getemperd door wanhopig roependen, was materie geworden, een maagtrillend tot-in-de-catacombenluid dat je optilde en meenam samen met 50.000 anderen […] (uit: De vorm van geluid)

Jullie ontbeten en de cicaden vormden een deken van geluid. Maar het was nog niets, nog maar een prelude, een eerste stemmen. Ze maakten zich op voor het echte werk en je gonsde met ze mee. Je zocht ze en je zag ze, op boomschorsen en in droge struiken, op gepaste afstand van elkaar, tegen elkaar in sjirpend of volmaakt synchroon. Je herkende de pauzes, vreemd simultaan op de vroege avond, soms na een vleug mistral. Een steeds uitgerekter morsesein naarmate het later werd, dat je vertelde dat je moest horen, moest luisteren, en, nog later, dat het tijd was om te gaan slapen. Je leefde in het ritme van de cicaden. (uit: De vorm van geluid)

De geboorte van een boek over geluiden in een wolk van geluid.